acabar
eindigen; afwerken; afmaken; opmaken;...
{
finish
}
beëindigen; stoppen; eindigen
{
end
}
verwerkelijken; realizeren, waar maken
{
consummate
}
ophouden met; stoppen
{
cease
}
tot de conclusie komen; afmaken,...
{
conclude
}
acabar
eindigen; afwerken; afmaken; opmaken;...
{
finish
}
beëindigen; stoppen; eindigen
{
end
}
tot de conclusie komen; afmaken,...
{
conclude
}
overwinnen, winnen; verijdelen
{
defeat
}
voltooien; besluiten, aanvullen
{
complete
}
perfectioneren, vervolmaken
{
perfect
}
komen; aankomen; tot een oplossing...
{
come
}
acabar
afmaken, afsluiten, beëindigen, besluiten, uitmaken, voleindigen, aflopen, eindigen, ophouden, uitgaan, uitlopen, uitraken, verlopen, uit zijn (boek), afmaken (dier, ten einde lopen (weg), uitscheiden (spel), sterven