abondant
ruim (voldoende); ruimschoots
{
ample
}
veel; heel veel; genoeg; overdadig
{
plenty
}
drijvend; overstroomd; de ronde doende...
{
afloat
}
heersend (van ziekten); wemelen van, vol...
{
rife
}
overvloedig; produktief, vruchtbaar
{
copious
}
rijk, overvloedig, weelderig
{
opulent
}
abondant (m)
stuk; kluit; blok
{
chunk
}
abonder
afhellen; uitschenken
{
abound
}
vol zijn van-, krioelen, wemelen,...
{
teem
}
Abondant